maandag 3 mei 2010
Okkie.
Terwijl geelig ochtendlicht door het kozijn naar binnen spreekt, kijk jij mij zoet grinnikend aan. Mijn hoofd stond nog op koffie maar mijn humeur vulde zich met volle glimlach. Je veegt jouw zwarte haren uit je gezicht en kijkt met kleine oogjes. Ik duw mij uit mijn matras. Val vervolgens weer naar voren om mijn gezicht lachend te verbergen in mijn kussen. En als ik op kijk zie ik de glimlach rond jouw mond. Niemand voelde zich zo op zijn plek als ik. Waar dan ook.
zondag 25 april 2010
Nervus ophthalmicus
zaterdag 17 april 2010
±
Niet alles is anders nu je weg bent. Bussen komen nog altijd te laat. Mensen rijden nog altijd door rood. Ik schrijf nog altijd met mijn rechterhand. En de hemel staat nog steeds blauw van de uitlaatgassen. Dus ook jouw herinnering is hier. Van jouw neus tot over mijn oren. Jouw dromen zweven nog door de lucht. En ik. Ik sta hier. Zoals altijd. Het is alleen alsof jij op vakantie bent. En even niet meer terug komt. Want niets is anders nu je weg bent.
In loving memory of Jesse
dinsdag 13 april 2010
Spelenderwijs.
Ik spreek mijn woorden uit met verve. Zet mijn stappen doordacht. Kies mijn blikken geheel niet ondoelmatig. Reageer adequaat. Ik speel mooi weer. Tot het doek valt en ik weer tijd heb voor nostalgie.
maandag 12 april 2010
De bevrijdende zucht.
Hij moet gegeseld, aan het kruis genageld, gekneveld, dood gemaakt, gemolesteerd maar eerst besneden en met pekel bestrooid, kielgehaald, geëlectrocuteerd, met botte speren in de ribben geprikt. Gefolterd en bespuugd door de Jihad en door een adelaar de ogen uit geprikt. Vergiftigd en verstoten, opgeblazen, gevierendeeld, gestenigd, neergestoken, opgehangen en overreden en vergast. Maar verder ben ik dol op mannen.
zondag 11 april 2010
Où il ne pleut pas.
Op dat moment vielen honderden, misschien wel duizenden druppels op mijn gezicht. Gevolgd door een immens welbevinden. En zo zag ik het water wegspoelen het putje in, samen met de weerzin en agonie. Hij was mijn favoriet. En nog eigenlijk. Hij mag nu niet meer weg. Dat zou hij, bij wijze van spreken, toch niet meer mogen doen? En zo kwam de bekommering. Harder dan ooit.
vrijdag 2 april 2010
woensdag 31 maart 2010
Er was een tijd dat mijn wereld bestond uit een zwarte delta.
Wij houden handjes vast. Terwijl wij onze neuzen tegen de ramen drukken. We tekenen gezichtjes in de condens. Het regent buiten. We wisselen van hand. En zitten met onze billen op de verwarming. Kijkend naar de historie. Van besneeuwde bergen tot ongestrikte veters. Maar zodra ik het raam wil openen kletteren reuzachtige regendruppels kapot op mijn juist nog zo zorgeloze gezicht.
Vertel mij maar hoe stom ik ben. Maar smijt mij niet meer uit het raam.
Vertel mij maar hoe stom ik ben. Maar smijt mij niet meer uit het raam.
donderdag 25 maart 2010
dinsdag 23 maart 2010
dinsdag 16 maart 2010
Toespeling op de beïnvloedbaren.
Domweg gelukkig staar ik mij blind op een bankje in de zon. Rakend in een roes door het felle zonlicht, speelt mijn wijsvinger met een ijsblokje uit mijn pas opgedronken verfrissing. Ik ga niet door. En ik neem hem mee. Naar liggend in de zon. Naar onze voeten op het warme zand. Met het zeewater nog in ons haar. Ik ga door. En ik neem hem mee.
dinsdag 9 maart 2010
Melancholie van de alledag.
De druppels verf zweven. Vallen. En vlekken daarna. Vandaag was een mooie dag.
zaterdag 27 februari 2010
Bij wijze van spreken.
Nu ik hier lig met mijn hoofd op jouw borst, en het slaan van jouw hart door mijn hoofd beukt, maakt het mijne zich klaar voor een tegenslag. Mijn ogen vallen dicht. En dan slaan nietszeggende woorden genadeloos toe. Dus bij wijze van spreken is er niets aan de hand.
woensdag 17 februari 2010
Laat mij in mijn zeven sloten.
Om met letters te spelen op een vroom vel papier. Letters schuiven over het pas beschreven blad tot mijn glazen het voor mij verhelderen. Onbepaalde tijd later door duisterheid verlicht.
Zo open ik mijn doos en ruim ik weer roekeloos de rommel van de vloer. Dan haal ik de woorden uit mijn mond. Als niemand het ziet.
Zo open ik mijn doos en ruim ik weer roekeloos de rommel van de vloer. Dan haal ik de woorden uit mijn mond. Als niemand het ziet.
donderdag 7 januari 2010
Ik moet alleen.
Ik zit hier maar en de bomen kijken de lucht niet meer aan. Het water schopt niet meer tegen de dijk maar de boten varen nog altijd in de haven. Alles moet nu veranderen. Er moet kleur en liefde. Passie moet met zachte stem. Kleur moet over. Want ik moet allang niet meer. Ik moet alleen. Ik moet nog altijd gevaar. En ik moet nog altijd passie. Maar ik moet zeker alleen.
woensdag 6 januari 2010
Ik ben een vogel nu.
Nu over mijn grote teen die onder de laken uitstak. Mijn pas gewassen haren nog nat in mijn nek. Niets over het zout op de wangen. Enkel de dons in mijn laken. Wellicht nog iets over hij die de kamer in komt lopen. Zodra het licht uit is en het bed lang niet meer zo koud, droom ik weg. Hij geeft mij nog een kus. Houdt mij heel de nacht vast.
dinsdag 15 december 2009
Het kerstliedje.
Mijn voeten gleden onder de dekens vandaan en daar lagen ze: stil, koud en weerloos. Mijn arme tenen - die liever een paar sokken hadden gehad - wachtten tot de tijd door klokken en wijzers werd vermaald tot alleen iets als herrinering.
Jij had mijn handen niet losgelaten als ik het niet had gevraagd.
Jij had mijn handen niet losgelaten als ik het niet had gevraagd.
zondag 6 december 2009
Ik zing 'regendruppels vallen op mijn hoofd'.
Laten we dansen, het is het laatse uur. Laten we het ervan nemen met onze gezichten naar de lampen van het licht. Nu wij rondjes dansen en louter elkaar kunnen bekijken, wil ik alleen nog dat van jou. Inmiddels is het stil geraakt in mijn hoofd. Weergaloos doch weerzinwekkend. Het licht brandt op mijn netvlies. En zo kwam de ochtend. Stralend.
vrijdag 27 november 2009
En maakte mij weer zoals ik was.
Buiten tikte de regen tegen het raam van onze kamer. Maar bij ons, onder de dekens van zijn dekbed, was de wind. In mijn hoofd was het windstil, gelukkig stil, stil en duidelijk. Maar mijn opstandige benen.. Mijn opstandige benen daarentegen, zij waaiden zich tegen de jouwe. De storm in mijn onderbuik waaide harder dan voorheen. Bomen werden ontwricht en huizen opgepakt en weggesleurd. Gevolgd door de echte wind. De ware. De realitaire. De wezenlijke. Die eerlijke wind. En waaide mij om mijn schouders. Sloeg mij vervolgens tegen de grond en ik voel nog de kou in mijn vingers. Nu, onbepaalde tijd later, regent het in mijn kamer. En ook de wind is terug.
zondag 22 november 2009
Genegenheid in derde versnelling.
Rustig als ik mijn ogen open. En mij realizeer dat het de tafel is waarop ik dans. Roep ik in het wild. Dat het het tafelkleed is wat zich misdraagt: zij legt zich onder mijn voeten. De kamer draait. Of het nijgt naar de tafel die valt. Voor mijn gezicht zich verzoent met de vloer, lijk ik opgevangen door de lucht. De lucht die niet waait. De lucht die mij niet vangt. Nog enkele minuten lig ik op de vloer en staar ik me blind op het plaffond met de witte verf. Het kon me helemaal niets schelen dat ik van de tafel was gevallen. Laat mij maar liggen op die grond. Vertrouwde grond. De grond van mijn bestaan.
Abonneren op:
Posts (Atom)


