Ik kan dansen met woorden. Ik steel van de liefde en eet van de passie. Ik kan lopen tot de maan en glijden tot de Noordzee. Omdat ik niet denk wie jij bent. Ik niet ben wie jij denkt en jij niet zoals ik denk dat jij denkt dat ik ben. Zo luister ik met wind en draai ik met molens. Zo kan ik springen met landen en landen met zachten. Omdat ik kan kijken met kleuren. Kijken met kleuren en zingen met letters. Ik schrijf wolken in het licht en geluk in mijn hart. Raadsels in mijn hoofd en woorden op mijn lippen. Zo draai ik en draai ik. Tot ik ben wie jij denkt. En ik denk wie jij bent. Tot ik val voor een bepaalde tijd. Tot ik bij beer en zij bij mij. Omdat ik van haar en zij van mij.
"Niemand hoort hier meer dan jij" had je gezegd. En ik zag mij in zijn ogen. Kijk mij in zijn ogen. De kleur vergrijst. Het trekt weg tot aan de randjes. De verf bladdert van mijn gezicht. Repen kleur trek ik van mijn wang. Ik doe alsof ik huilen moet. Ik vind mezelf misselijkmakend. Ik sla hem met mijn vuist. Hij lacht. Niemand hoort hier meer dan hij dat is duidelijk.
Ik zie de deur die hij niet goed heeft dicht gedaan. Ik zie zijn schoenen bij de deur. Ik zie hem met zijn hoofd in het kussen. Ik denk aan een foto. Ik denk dat ik me onder het bed veiliger zou hebben gevoeld. Of zelfs met mijn hoofd in de schoot van mijn moeder. Nu wil ik het liefst aan mijn haren getrokken worden. En op de grond gesmeten. Opdat ik wakker zou schrikken. Opdat ik het weer zou snappen. Want ik had geschreeuwd. Ik wil andere kleren aan had ik geschreeuwd. Ik wilde helder worden. Ik wilde dat het stopte. Ik wilde dat hij begon te praten. Ik ben de kamer uit gelopen en ik ben daar gaan zitten. Ik heb daar heel lang gezeten.
Het was een nu, zoals het nu niet meer is. Een sleutel vloog in een hoop woorden. Woorden waarin de regen mooier was dan het water alleen. Want ik was de regen. En het water. Maar jij alles. Omdat dat is wat we doen. We zijn, en vallen omlaag. En in die tussentijd moeten we maar ergens onder een boom zien te schuilen.
Ik schrijf ogen op mijn handen. Dikke kraters op mijn bol. Streepjes over landen. En hartjes maken kuiten vol. Ik teken letters op mijn oren. En verf puntjes op mijn duim. Ik kleur een wereld die kan horen. Maar ook wel eens een zuurpruim. Zo teken ik heel de wereld mooi. Ik teken haar op dr kop. Het wordt dan wel een klerezooi. Maar daar zie ik niet tegenop.
Ik ging kopje onder. Ik hield mijn adem in. Licht van de zon dwarrelde gebroken door het wateroppervlak naar beneden en verlichte jouw benen. Op het oppervlak drijft een hoedje. Zojuist had jij hem nog op maar jij bent gaan duiken en ik kan jou niet vinden. Even denk ik dat je mijn been beet pakt. Maar dat leek maar zo. Ik was nog lang niet thuis.
Pak een pen en een papier. Ook fantasie raap je bij elkaar. Schrijf een afscheid op een perron. Tussen twee mensen. De een heeft een hoed. De ander niet. Zo zien zij elkaar. En dan niet meer. Hij vertrekt. De ander blijft staan. Schrijf zoals jij het mooi vindt. Schrijf mij.
Ik schreeuw tegen mijn tranen dat ze moeten stoppen. En vallende blaadjes buiten mijn raam kijken me aan. En ik wil me voelen zoals zij. Ik wil me laten vallen en me geen zorgen hoeven maken over de landing. Ik wil samen met 100 anderen. Ik wil jouw lippen en de kussen die er hadden kunnen zijn. Ik wil oude winter liedjes zingen. Omdat ik je mis, zelfs als je bij me bent. En ik wil dat je me eindelijk eens in je armen neemt. Gewoon omdat dat leuk is. Maar ik vind jou stom en je bent een eikel. En daarom ben ik zo godsgruwelijk verliefd op je.
Op de dag dat ik in het gras lig en omhoog kijk naar de takken die ervoor zorgen dat de zon niet in mijn ogen schijnt. Op de dag dat we een picknickmand hebben met croissants. Dat we elkaar aankijken en niets meer hoeven te zeggen. Dat je aardbeienjam op je witte hemd morst. Dat we lachen en niet denken hoe we dat schoon moeten maken, maar denken; wat zijn wij gelukkig door alleen elkaar te hebben. Op die dag zou ik je een kus geven. En dan zou je me lief vinden. Net zo lief als ik jou.
Ik dacht ooit dat ik eigenlijk heel groot was. Maar ik zag alleen mijzelf. En niet mijzelf in verhouding tot de anderen. De anderen.. Wat kan ik daar nu nog over zeggen. Nu de regen in mijn gezicht waait en mijn tranen al lang niet meer te onderscheiden zijn van de koude druppels.
De spelletjes kan ik niet meer spelen, de regels ben ik kwijt. Met een half kaartspel kan ik niet delen. Waarschijnlijk zijn het de spelers die ik mijd. Tot in den eeuwigheid.